Ze vroeg om een vrouw, maar kreeg een man

‘Goedemiddag, mag ik binnenkomen?’ Zodra ze de deur opent, voel ik het meteen. Deze vrouw heeft een geschiedenis met mannen. En daar sta ik dan: een man van 1.90 meter met een forse witte baard. Ik ben als vrijwilliger gevraagd haar in de laatste maanden van haar leven bij te staan.

Haar woning is klein. In de smalle hal trek ik mijn jas uit. De woonkamer is donker en bescheiden, een klein monumentaal arbeidershuisje in de binnenstad. ‘Waar wil je dat ik ga zitten?’ vraag ik. Ik besluit haar bij alles toestemming te vragen. Ze wijst een stoel aan. Ik ga zitten met mijn rug naar de deur. Mocht ze zich ongemakkelijk voelen, dan kan ik zo weer vertrekken.

We praten wat. Ze is duidelijk over haar grenzen: ik hoef niet dichtbij te komen, ze wil me geen hand geven en fysiek contact liever vermijden.

Haar Nederlands is uitstekend, maar ze groeide elders op. Tijdens ons gesprek loopt haar zoon meerdere keren binnen. Het voelt alsof hij de situatie controleert. Hij heeft psychische problemen en is sterk afhankelijk van haar. Hij is in de veertig, maar lijkt nog altijd een kind dat zijn moeder nodig heeft. Regelmatig steelt hij geld van haar.

‘Wanneer ben je voor het laatst buiten geweest?’ vraag ik. Ze weet het niet precies, maar ze wil wel naar buiten. Ze zit nog in haar ochtendjas. ‘Neem je tijd om je om te kleden. Als jij er klaar voor bent, doe je de deur open en dan gaan we.’ Binnen enkele minuten verschijnt ze weer, aangekleed. Ik duw haar rolstoel, we maken een ommetje en eten een ijsje op een terrasje.

In de weken en maanden daarna deelt ze steeds meer over haar leven. Ze heeft uitgezaaide longkanker en nog slechts enkele maanden te leven. Haar verleden is zwaar. Als kind groeide ze op bij haar grootouders, waar haar opa haar grenzen overschreed. Ook haar huwelijk bood geen veiligheid. Haar man, een vrachtwagenchauffeur, was vaak weg en mishandelde haar en de kinderen als hij thuis was. Nu heeft ze nog contact met één zoon, maar verder laat ze weinig mensen toe. Een buurvrouw kijkt af en toe naar haar om.

Ze wil haar autonomie bewaren. Zelfs in deze laatste levensfase bepaalt ze haar eigen koers. Haar huis is haar veilige plek, naar het hospice gaan is geen optie.

Met een collega wissel ik de bezoeken af. Langzaam mag ik dichterbij komen. En altijd gaan we even naar buiten. Ze kamt haar haar – door de chemo zijn het nog maar enkele slierten – en doet dan altijd make-up op. Naar de buitenwereld toe wil ze geen decorumverlies tonen. En ze rookt sigaartjes, de ene na de andere.

Bij aanrakingen schrikt ze snel. De eerste keer dat ik haar op de schouder tik om haar ergens op te wijzen, schrikt ze. Vanaf dan kondig ik alle eventuele aanrakingen aan. Kleine aanpassingen, zoals haar mijn arm aanbieden in plaats van een hand geven, maken het contact prettiger voor haar.

Op een dag wil ze naar de Blokker. ‘Heb je iets nodig?’ vraag ik. Nee, ze wil gewoon even rondkijken en alle spullen kunnen aanraken. Ze is jaren nauwelijks buiten geweest; dit voelt als een ontdekkingstocht.

Ons contact wordt steeds gewoner, vertrouwder. Ze voelt zich veilig bij mij, zegt ze. We maken grapjes. Soms stop ik haar rolstoel midden op straat en zeg dat ik haar daar laat staan. Dan schatert ze het uit. Eén keer neem ik haar mee in de auto. Stralend zit ze voorin, als een koningin. Ze grijpt de kans om boodschappen te doen – en niet zomaar een beetje. De auto zit helemaal vol. Voor mij is het een kleine moeite, voor haar betekent het de wereld.

Lichamelijk gaat ze steeds verder achteruit. Voorzichtig stel ik voor een kijkje te nemen in het Stadshospice. Nieuwsgierig loopt ze rond, spreekt met vrijwilligers en zegt dat het haar meevalt. Maar ze blijft bij haar besluit: thuisblijven, tot het einde.

Wij blijven haar bezoeken, tot haar laatste dag. Anders dan de huisarts of wijkverpleegkundige, vragen wij niet steeds naar haar ziekte. Haar zoon, hoe afhankelijk ook, kan haar emotioneel niet steunen. Wij zijn geen vrienden, maar kunnen veel voor haar betekenen. Soms ondersteunen we mantelzorgers, soms zorgen we ervoor dat ze even afstand kunnen nemen. In dit geval zorgen we er vooral voor dat de vrouw niet gaat mantelzorgen over haar zoon, terwijl ze zelf erg ziek is. 

Praten over haar naderende einde doet ze weinig. Al weet ze dat het kan. Dat twee vrijwilligers van het hospice bij haar thuiskomen geeft haar het gevoel dat erover praten mogelijk is. Maar alleen wanneer zij het wil.

Ze kan in ieder geval thuisblijven. In het huisje wat door de jaren heen haar veilige plek is geworden, waar zij kan bepalen wat er wel of niet gebeurt. Waar zij kan aangeven hoe dichtbij of juist hoe veraf. Haar moment van overlijden lijkt ze uiteindelijk ook zelf te bepalen. Na maanden waarin ze steeds verder achteruitgaat overlijdt ze in haar slaap.

Door Ronald van den Brink – Thuisvrijwilliger Stadshospice